Wetterhoun

Herkomst
Toen de buitenlandse jachthonden nog niet zo in de mode waren werden in Friesland twee inheemse rassen voor de jacht gebruikt, de Stabyhoun en de Wetterhoun.
De Wetterhoun werd veel gebruikt bij de jacht op waterwild en men zag de Wetterhoun dan ook hoofdzakelijk in het merengebied.
Het was de hond van de kleine man, die met hem ging jagen, maar hem ook gebruikte als waakhond en voor het onschadelijk maken van ongedierte, zoals bunzings, mollen, ratten en zelfs, in de 19e eeuw, visotters.
De Wetterhoun zorgde voor aanvulling van het vaak karige arbeidersloon; de mollenvellen brachten een aardige bontprijs op.
Ook nu nog wordt hij als verdelger van ongedierte zeer gewaardeerd. Ook werd de Wetterhoun vroeger veel gebruikt als trekhond: hij werd vaak voor de kar gespannen.
Na de introductie van Pointers en Setters in het midden van de 19e eeuw verloren ze hun populariteit.
De oorsprong van het ras is onduidelijk, al kwam in 1600 al een krulharige hond in Friesland voor.
Het verhaal wil dat zigeuners wel eens dogachtige honden bij zich hadden en dat de Wetterhoun mogelijk uit kruisingen hiermee is ontstaan.
Een andere theorie is dat ze door zeelieden via Harlingen zijn ingevoerd uit de Oostzeehavens.
En misschien is er verband tussen de naam Wetterhoun en de Duitse jagersterm “wittern” (ergens lucht van krijgen).
Of heeft de Wetterhoun zijn naam later gekregen en is het gewoon Fries voor waterhond (wetter is het Friese woord voor water)?
Om allround gebruikshonden te krijgen werden de Stabyhoun en de Wetterhoun niet zelden met elkaar gekruist en nog altijd treft men Stabyhounen aan met een krulstaart of een licht gekrulde vacht.
Na de erkenning op 10 oktober 1942 is een aantal fokkers zich gaan toeleggen op dit ras en op 26 april 1947 werd de rasvereniging opgericht.
Vanaf 1971 worden de Staby- en Wetterhounen opgenomen in het “echte” stamboek.

Algemeen voorkomen
Eenvoudige, fors gebouwde hond zonder plomp of log te zijn.
Hoofd tamelijk groot in verhouding tot het lichaam, met zware schedel en een kenmerkende, grimmige oogopslag.
Schofthoogte reuen tot 55 cm, teven iets lager
Gewicht 25-32 kg

Vacht Dichte krullen over het gehele lichaam, behalve op het hoofd en de onderbenen.
De krullen bestaan uit vaste, stevige, gekrulde haarbundels, het haar is vrij grof en voelt vettig aan.
Kleuren: effen bruin of effen zwart, verder zwartwit of bruinwit.

Gebruik Tegenwoordig vooral gezinshond.
Vroeger gebruikt voor de jacht, met name op waterwild en otters.
Door hun bouw en vacht zijn ze uitermate geschikt voor de jacht in moerassige gebieden met veel riet.
Ze drijven het wild op en apporteren nadat het geschoten is.
Ze hebben een prima neus, zijn zeer gehoorzaam en willen graag werken.
Gezondheid De honden waarmee gefokt wordt, worden röntgenologisch onderzocht op de aanwezigheid van heupdysplasie.
Aard Vriendelijk, rustig, eigenzinnig karakter, gereserveerd tegenover vreemden.
Zeer geschikt als waakhond.
Bijzonderheden De vacht heeft behalve regelmatige borstelbeurten geen bijzondere verzorging nodig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *